Overeind houden van jeugdzorginstellingen remde vernieuwing

Innovatie

De Tweede Kamer stond tijdens het debat over de wijziging van het woonplaatsbeginsel uitvoerig stil bij de zorgen van Jeugdzorg Nederland over de administratieve lasten bij de uitvoering van de nieuwe regels. Minister De Jonge kwam Jeugdzorg Nederland en de Tweede Kamer tegemoet, waardoor een ruime meerderheid van de Tweede Kamer voor invoering van het nieuwe woonplaatsbeginsel per 1 januari 2021 zal stemmen. De minister gaat werken aan een geautomatiseerde tool die duidelijk maakt welke gemeente verantwoordelijk is. 

Jeugdzorg Nederland trok voorafgaand aan het debat aan de bel, omdat bij de voorbereiding van de wetswijziging steeds uit is gegaan van een geautomatiseerde toepassing van het nieuwe woonplaatsbeginsel. Eerder bleek de verwachting dat zo’n toepassing eenvoudig te realiseren is te berusten op een onjuiste aanname over de gegevens in de ‘basisregistratie personen’. Recent bleken alternatieve oplossingen meer tijd en inzet te vragen en niet gereed te zijn als de wetswijziging in gaat. De Tweede Kamer drong er, mede naar aanleiding van de oproep van Jeugdzorg Nederland,  bij de minister op aan hier een oplossing voor te vinden. Die sputterde eerst nog tegen, maar zei uiteindelijk: “Zo’n digitale tool vind ik mooi. Laten we proberen dat te ontwikkelen. De signalen geven ook aan dat dat kan. Nou ja, laten we dat proberen.

De minister probeerde de bezwaren van Jeugdzorg Nederland eerst nog weg te wuiven, door te spreken over een ‘misverstand’. Er zou geen sprake van kunnen zijn dat de ‘basisregistratie personen’ onderscheid maakt tussen een privé-adres en een zorgadres. Toch was dat wel wat in de Uitvoeringstoets van het ministerie stond. Geconfronteerd met letterlijke citaten uit de Uitvoeringstoets (zie afbeelding) gaf de minister aan die informatie niet paraat te hebben.

De minister benadrukte dat de administratieve last niet bij de aanbieder mag komen te liggen. Hij zei dat het noodzakelijk is dat er bij de aanbieder geen onduidelijkheid bestaat wie de factuur betaalt: “Daarom is in dit wetsvoorstel voorzien in een informatieplicht. De gemeente […] heeft gewoon een informatieplicht. Die moet gewoon binnen een redelijke termijn, uiterlijk binnen twee weken, reageren in de richting van de instelling die die vraag stelt. Dat is één. Twee. De gemeente heeft ook een onderzoeksplicht: als zij het zelf niet is, wie dan wel? Dat is de onderzoeksplicht.” De gemeente heeft ook nog een betaalplicht, aldus de minister: “Je moet de rekening namelijk betalen als een andere gemeente kennelijk nog eventjes moet accepteren dat het eigenlijk een kind van haar was. Ik zou denken dat we daarmee de zorg aan de kant van de aanbieder hebben weggenomen.

Jeugdzorg Nederland onderschrijft dat dit verbeteringen zijn ten opzichte van de huidige wetgeving, maar blijft hameren op het belang van geautomatiseerde toepassing van het woonplaatsbeginsel. Anders blijft de aanbieder afhankelijk van de gemeente voor het nakomen van de informatieplicht. Soms stellen gemeenten ook specifieke eisen aan de intake en kan die dus niet starten zolang er nog onduidelijkheid is over welke gemeente verantwoordelijk is.

Minister De Jonge herhaalde later in het debat: “Als het gaat om een geautomatiseerde tool om te bepalen naar wie de rekening mag: daar ben ik op zichzelf genomen voor, als dat geen ongerechtvaardigde inbreuk op de Basisregistratie Personen is. Ik zeg erbij: daar gaan we aan werken. Zoals ik het nu begrijp, moet het lukken om dat op tijd af te hebben.” Aan die belofte zal Jeugdzorg Nederland de minister houden bij de verdere uitwerking van de implementatieplannen.